Genderinfo.nl

Hoeveel Nederlandse jongeren noemen zich trans of genderdivers

Peter Vasterman analyseert de cijfers uit Seks onder je 25e. De uitkomst: 92.500 jongeren, een groei van 45 procent in vijf jaar, en een geslachtsverhouding die de biologische verklaring opblaast.

De grote getallen

Het vierjaarlijkse onderzoek Seks onder je 25e — uitgevoerd door Soa Aids Nederland en Rutgers in opdracht van het ministerie van VWS en het RIVM — vroeg in zijn vierde editie aan jongeren tussen twaalf en vijfentwintig hoe ze zichzelf identificeren. Drie komma drie procent van die groep noemt zich transgender of genderdivers. In absolute getallen: ongeveer 92.500 jongeren. Vijf jaar eerder lag dat percentage op 2,3 procent. De stijging in absolute aantallen bedraagt 29.000 jongeren — een groei van vijfenveertig procent in vijf jaar tijd. Vasterman zet de cijfers naast elkaar en stelt de logische vraag: welke aangeboren biologische aandoening verandert in vijf jaar met vijfenveertig procent van prevalentie?

Meisjes domineren — en hoe

De geslachtsverhouding is het meest schokkende cijfer. Onder meisjes ligt het percentage trans of genderdivers op 4,3 procent. Onder jongens op 2,4 procent. Vrouwelijke jongeren maken 63 procent uit van de hele groep — 58.563 vrouwen tegenover 33.936 mannen. De stijging is ook scheef: onder meisjes groeide het percentage met 1,4 procentpunt in vijf jaar, onder jongens met 0,7 procentpunt. Vasterman wijst erop dat een aangeboren conditie zo'n geslachtsscheve groei niet kan dragen. Wat het wel kan dragen: een sociaal verspreid identiteitslabel dat in vrouwelijke peergroepen op TikTok, Tumblr en Instagram dominant aanwezig is.

De binnenkant van het cijfer: non-binair groeit, transgender daalt

De detailcijfers maken het beeld nog interessanter. Onder meisjes is de specifieke "transgender"-identificatie tussen 2017 en de huidige meting juist gedaald, van 0,9 naar 0,6 procent. Onder jongens steeg die licht, van 0,4 naar 0,7 procent. De groei zit ergens anders. Bij meisjes is de "non-binair"-categorie geëxplodeerd, van 0,2 naar 0,8 procent — een verviervoudiging. De categorie "weet nog niet" ging onder meisjes van 0,3 naar 1,3 procent — een ruime verviervoudiging. Wat we zien is dus geen toename van de klassieke trans-identiteit, maar een explosie van niet-binaire en twijfelende zelfidentificatie, vooral bij meisjes. Dat is sociologisch een totaal ander verschijnsel dan medische genderdysforie.

Wachtlijsten en behandelingen

De cijfers over behandeling maken duidelijk dat dit identiteits-effect doorlekt naar de medische zorg. Dertien procent van de transgender-jongeren heeft "genderbevestigende behandeling" gehad — circa 2.548 jongeren. Eén procent van de genderdiverse groep heeft behandeling gehad — circa 694 jongeren. Negen procent staat op de wachtlijst — ongeveer 1.764. De gemiddelde leeftijd waarop deze jongeren zeggen tot hun identiteit te zijn gekomen: 16,6 jaar, met een standaarddeviatie van vier jaar. Dat betekent: een ruime meerderheid komt pas in of na de puberteit tot dit zelfbeeld. Dit zijn niet de kinderen voor wie het Dutch Protocol oorspronkelijk werd ontworpen — kinderen met sinds-de-kleutertijd-aanwezige, persistente dysforie.

De vergelijking met het UMCG-cijfer

Vasterman koppelt deze cijfers expliciet aan ander Nederlands onderzoek. Het UMCG-TRAILS-onderzoek vond in een Noord-Nederlandse cohorte dat persistente, klinisch significante genderonvrede bij volwassen jongeren op promille-niveau ligt — minder dan een procent in strakke definitie. Seks onder je 25e meet 3,3 procent zelfidentificatie. Het verschil tussen de twee cijfers is geen meetfout. Het is het verschil tussen klinische conditie en sociale identiteit. Dat we deze twee dingen in publiek en politiek debat door elkaar halen, is waar Vasterman al jaren over schrijft.

Wat de cijfers wel en niet vertellen

De cijfers vertellen niet hoeveel van de 92.500 jongeren over vijf jaar nog steeds zo over zichzelf denken. Ze vertellen niet of het zelfgekozen label leidt tot persisterende dysforie of tot loslaten. Ze vertellen niet welke rol comorbiditeiten — autismespectrum, eetstoornissen, depressie — spelen in de keuze voor dit label. Ze vertellen niet welk percentage uiteindelijk irreversibele medische ingrepen ondergaat en hoeveel daarvan later detransitioneert. Voor al deze vragen ontbreekt het Nederlandse onderzoek. Wat we wel weten: in vijf jaar is de zelfidentificatie met 29.000 jongeren gegroeid, vooral onder meisjes, vooral in de non-binaire en twijfelende categorie. Wie dat een natuurlijk biologisch verschijnsel noemt, leest de cijfers niet.

Bron
Gebaseerd op "Hoeveel jongeren zeggen een transgender of genderdiverse identiteit te hebben? Een analyse van de cijfers uit onderzoek Seks onder je 25e" door Peter Vasterman, 31 januari 2024. Origineel: vasterman.blogspot.com