Noordse landen blijken sterk te verschillen in transgenderzorg — en noemen zelf een hoger spijtcijfer dan vaak gemeld

De Noordse landen worden in het Nederlandse debat over transgenderzorg vaak in één adem genoemd als voorbeeld van een verstandige, wetenschappelijk onderbouwde aanpak. Een nieuwe overzichtsstudie in de Scandinavian Journal of Surgery, geschreven door een groep chirurgen en artsen uit Zweden, Finland, Noorwegen, IJsland en Denemarken zelf, laat een ander beeld zien: de vijf landen verschillen juist opvallend veel van elkaar, zowel in wie toegang krijgt tot medische transitie als in hoe zij omgaan met onzekerheid over de gevolgen. Wat hetzelfde overzicht over operaties zegt, staat in het artikel over chirurgie in de vijf Noordse landen.
Vijf landen, vijf verschillende antwoorden
Alle vijf de landen bieden publiek gefinancierde transgenderzorg, maar de manier waarop die zorg is georganiseerd loopt sterk uiteen — van centraal aangestuurde genderklinieken tot een meer verspreid aanbod. Ook juridisch bewegen de landen niet synchroon: erkenning van een andere genderidentiteit op basis van zelfverklaring is inmiddels ingevoerd in Denemarken, Finland, IJsland en Noorwegen. Zweden versoepelde zijn wet per 1 juli 2025: wijzigen kan vanaf zestien jaar, maar er blijft een verklaring nodig van een arts, psycholoog of andere aangewezen zorgverlener, en de Socialstyrelsen beslist over de aanvraag. Volledige zelfidentificatie kent Zweden dus niet. Dat klinkt als een gezamenlijke lijn, maar de auteurs beschrijven tegelijk dat de klinische praktijk — wie voor puberteitsremmers, hormonen of chirurgie in aanmerking komt — per land anders is ingericht en aanmerkelijk voorzichtiger is geworden dan een decennium geleden.
Voorzichtiger bij laat ontstane genderdysforie
Opvallend is de manier waarop Finland en Zweden omgaan met jongeren bij wie genderdysforie pas na de puberteit ontstaat: die groep komt in beide landen doorgaans niet in aanmerking voor medische transitie tijdens de adolescentie. Dat is een direct gevolg van de systematic reviews die Zweden en Finland eerder al lieten uitvoeren naar de bewijskracht van puberteitsremmers en hormonen bij minderjarigen, waaruit bleek dat die bewijskracht zwak is. Hoe die koerswijziging verliep, en hoe het Verenigd Koninkrijk volgde, staat op transtijd.nl. Denemarken, Noorwegen en IJsland formuleren het voorzichtiger, maar ook daar is de teneur in de studie er een van terughoudendheid eerder dan van vanzelfsprekende doorverwijzing. Van een verbod is nergens sprake — de zorg bestaat nog steeds — maar de brede aanname dat 'de Noordse landen' één uniforme, ruimhartige lijn volgen, houdt bij nadere lezing van dit overzicht geen stand.
Het eigen spijtcijfer van 2,2 procent
Misschien wel de meest opmerkelijke passage in het overzicht is een verwijzing naar eerder onderzoek van mede-auteur Cecilia Dhejne, verbonden aan het Karolinska Instituut. In haar langlopende Zweedse studie naar mensen die tussen 1960 en 2010 een geslachtsbevestigende operatie ondergingen, bleek 2,2 procent later een juridische aanvraag te hebben ingediend om die transitie ongedaan te maken. Dat cijfer wordt door de auteurs zelf aangehaald, in een artikel dat expliciet niet geschreven is om transgenderzorg in diskrediet te brengen. Het steekt daarmee schril af tegen het percentage van 'ruim onder de 1 procent' dat in Nederlandse voorlichting en berichtgeving over spijt en detransitie doorgaans wordt genoemd — en dat cijfer betreft bovendien alleen mensen die de formele, juridische stap zetten, niet iedereen die spijt ervaart zonder dat ooit officieel vast te leggen.
Voor Nederlandse lezers is de conclusie tweeledig. Ten eerste is er geen 'Noords model': de vijf landen kozen vijf verschillende, deels tegenstrijdige antwoorden op dezelfde onzekerheden waar ook de Nederlandse genderzorg mee worstelt. Ten tweede erkennen zelfs onderzoekers die middenin die zorg werken, in hun eigen vakblad, een spijtcijfer dat aanzienlijk hoger ligt dan het cijfer waarmee het onderwerp in Nederland doorgaans wordt gerelativeerd. Een overzicht van de onderzoeken staat bij cijfers over detransitie. Hoe de Finse richtlijn van 2020 doorwerkt in de afwegingen van één persoon, is te lezen in COHERE Finland en mij op mijngender.nl.
Edward Jansen
Redactie Genderinfo.nl