Homoseksuele en lesbische jongeren in het genderdebat: ruimte voor seksuele oriëntatie en zorgvuldige diagnostiek

Jongeren die zich niet thuis voelen in traditionele verwachtingen over jongens en meisjes verdienen veiligheid, rust en ruimte om zichzelf te leren kennen. Dat geldt voor transgender jongeren én voor homoseksuele en lesbische jongeren. In het maatschappelijke debat raken seksuele gerichtheid, genderexpressie en genderidentiteit echter geregeld met elkaar vermengd. Juist voor jongeren die afwijken van heteronormatieve of stereotype beelden kan dat verwarrend zijn.
Een belangrijk uitgangspunt is daarom eenvoudig: seksuele gerichtheid gaat over op wie iemand verliefd wordt of zich seksueel aangetrokken voelt; genderidentiteit gaat over iemands innerlijke beleving van vrouw, man, beide, geen van beide of iets anders. Een lesbisch meisje is dus niet "eigenlijk een jongen" omdat zij op meisjes valt, en een homoseksuele jongen is niet transgender omdat hij niet masculien is. Deze zaken kunnen samengaan, maar het een volgt niet automatisch uit het ander.
Genderstereotypen zijn geen diagnose
Kinderen en jongeren ontdekken hun persoonlijkheid vaak via kleding, hobby's, vriendschappen, gedrag en verliefdheden. Een jongen die graag danst, emotioneel is of liever met meisjes omgaat, en een meisje dat kort haar wil, technisch is of niet voldoet aan conventionele ideeën over vrouwelijkheid, kunnen eenvoudigweg jongens en meisjes zijn met een eigen stijl en karakter.
Het probleem ontstaat wanneer gendernon-conform gedrag te snel wordt uitgelegd als bewijs van een andere genderidentiteit. Dat kan onbedoeld de oude stereotypen bevestigen: alsof een meisje alleen een meisje kan zijn wanneer zij vrouwelijk, heteroseksueel en geïnteresseerd in jongens is. Voor lesbische en homoseksuele jongeren, die al kunnen worstelen met de ontdekking van hun seksuele gerichtheid, kan die boodschap extra belastend zijn.
Zorgvuldige begeleiding betekent daarom niet dat genderdysforie wordt weggewuifd. Sommige jongeren ervaren wel degelijk een aanhoudende en ernstige incongruentie tussen hun lichaam, hun toegewezen geslacht en hun genderidentiteit. Maar een professionele beoordeling moet ruimte maken voor meerdere mogelijke verklaringen, waaronder genderexpressie, seksuele oriëntatie, lichaamsbeeld, sociale druk, pesten, psychische klachten en vragen die bij de puberteit horen.
Wat onderzoek naar 'desistance' wel en niet laat zien
In oudere follow-upstudies van kinderen die vanwege genderdysforie of gendernon-conformiteit bij een kliniek waren aangemeld, bleek een aanzienlijk deel in de adolescentie niet langer genderdysfoor. Een Nederlandse studie van Wallien en Cohen-Kettenis volgde kinderen gemiddeld ongeveer tien jaar en rapporteerde dat een deel later geen genderdysforie meer had; homoseksuele of biseksuele gerichtheid kwam in deze groep relatief vaak voor. De auteurs concludeerden dat homoseksualiteit of biseksualiteit een veelvoorkomende uitkomst was bij kinderen die destijds met deze klachten waren verwezen. Lees de studie van Wallien en Cohen-Kettenis.
Een latere Nederlandse follow-upstudie vond eveneens dat de intensiteit van genderdysfore gevoelens in de kindertijd samenhing met de kans dat deze gevoelens in de adolescentie aanhielden. Dat onderstreept dat niet elk kind met gendernon-conform gedrag of gendergerelateerde onzekerheid dezelfde ontwikkeling doormaakt. Lees de studie van Steensma en collega's.
De term desistance, vaak vertaald als het verdwijnen of niet voortzetten van genderdysforie, vraagt wel om voorzichtigheid. Een systematische literatuurstudie uit 2022 liet zien dat onderzoekers uiteenlopende definities gebruiken: soms gaat het om verminderd lijden, soms om een veranderde identiteit en soms om het niet wensen van medische behandeling. Ook stammen veel klassieke onderzoeken uit een periode met andere diagnostische categorieën en andere patiëntengroepen dan tegenwoordig. De cijfers mogen daarom niet worden gebruikt om individuele jongeren te voorspellen of om transgender identiteiten te ontkennen. Lees de systematische bespreking van het begrip desistance.
Wel volgt er een belangrijk praktisch punt uit: omdat ontwikkeling niet voor iedere jongere hetzelfde verloopt, is tijd en open onderzoek waardevol. Oude follow-upstudies tonen niet aan dat een bepaalde vorm van begeleiding automatisch tot een lesbische of homoseksuele uitkomst leidt. Zij laten vooral zien dat gendergerelateerde klachten in de kindertijd verschillende ontwikkelingspaden kunnen hebben, waaronder een toekomst als homoseksuele of lesbische volwassene zonder medische transitie.
Same-sex attraction in klinische populaties
Verschillende klinische onderzoeken hebben een relatief groot aandeel jongeren met aantrekking tot personen van hetzelfde geslacht beschreven binnen verwijzingen wegens genderproblemen. Een Canadese studie naar verwijzingen naar een genderidentiteitsdienst onderzocht onder meer leeftijd, geslacht en seksuele oriëntatie in de periode 1976–2011. Lees het onderzoek naar verwijspatronen. Ook Nederlands onderzoek vond een verband tussen gendernon-conformiteit in de kindertijd en homoseksuele gerichtheid op latere leeftijd. Lees de Nederlandse prospectieve studie.
Dat betekent niet dat homoseksuele jongeren "eigenlijk" transgender zijn, of andersom. Het betekent evenmin dat elke jongere die naar een genderkliniek wordt verwezen homoseksueel of lesbisch zal blijken te zijn. Het wijst er wel op dat seksuele gerichtheid geen bijzaak mag zijn in diagnostiek. Voor een jongere die bang is voor afwijzing vanwege homoseksuele gevoelens, kan de vraag "ben ik transgender?" soms samenvallen met bredere vragen over erbij horen, vrouwelijkheid, mannelijkheid, verlangens en relaties.
Open diagnostiek voorkomt versmalling
De Nederlandse kwaliteitsstandaard transgenderzorg benadrukt dat kinderen en adolescenten zich lichamelijk, psychologisch, sociaal én seksueel ontwikkelen en dat deze ontwikkeling van invloed kan zijn op genderdysfore gevoelens. Diagnostiek hoort volgens de standaard te gebeuren door deskundigen met kennis van ontwikkelingspsychologie, psychopathologie, psychosociale omstandigheden en onderscheidende diagnostiek, binnen een multidisciplinair team. Lees de Nederlandse Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg.
Ook de Cass Review, gepubliceerd op 10 april 2024 en op deze site samengevat in de Cass Review uitgelegd, pleit voor een brede, geïndividualiseerde beoordeling van jongeren met gendergerelateerde klachten. Niet één verklaring, maar de volledige ontwikkelingsgeschiedenis, mentale gezondheid, gezinssituatie, sociale omgeving en identiteitsontwikkeling moeten worden betrokken. De Nederlandse Gezondheidsraad stelde in het advies van juni 2026 eveneens dat de Nederlandse transgenderzorg een uitgebreide verkennende fase kent, waarin ruimte bestaat voor informatie, reflectie en vrijwillige geïnformeerde toestemming. Lees het advies van de Gezondheidsraad.
Wat ouders, scholen en zorgverleners kunnen doen
Voor ouders is de belangrijkste houding: luister zonder een uitkomst voor te schrijven. Neem gevoelens van een jongere serieus, maar maak duidelijk dat er geen haast hoeft te zijn om alle vragen direct van een definitief label te voorzien. Een jongere moet vrij zijn om transgender te zijn, maar evenzeer vrij om homoseksueel, lesbisch, biseksueel, gendernon-conform of nog zoekend te zijn.
Scholen kunnen bijdragen door genderstereotypen actief tegen te gaan én homoseksualiteit en lesbische zichtbaarheid normaal te maken. Niet ieder meisje dat afwijkt van vrouwelijke verwachtingen wil een jongen zijn; niet iedere jongen die afwijkt van mannelijke verwachtingen wil een meisje zijn. Veiligheid vraagt om bescherming tegen pesten, niet om het vastleggen van identiteit. Hoe een school pesten rond gender tegengaat zonder een kant te kiezen in het debat, staat op genderopschool.nl.
Zorgverleners hebben de taak om nieuwsgierig, niet-sturend en breed te onderzoeken. Vragen naar verliefdheid, seksuele aantrekking, schaamte, sociale druk en opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn geen ontkenning van genderdysforie. Integendeel: zij helpen om een jongere als volledig mens te begrijpen. Dat is essentieel om te voorkomen dat homoseksuele en lesbische jongeren zich onnodig gemedicaliseerd voelen, terwijl transgender jongeren tegelijkertijd de serieuze en passende zorg ontvangen die zij nodig hebben.