DSM-5 en genderdysforie

De DSM-5, het diagnostisch handboek van de American Psychiatric Association (APA), beschrijft genderdysforie bij adolescenten en volwassenen als een duidelijke incongruentie tussen het ervaren of geuite gender en het toegewezen gender, die minstens zes maanden duurt en samengaat met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren (bron). De diagnose verving in 2013 de eerdere term "genderidentiteitsstoornis" (bron). De voorgeschiedenis begint in 1980: in de DSM-III kregen adolescenten en volwassenen de diagnose transseksualisme en kinderen de diagnose genderidentiteitsstoornis (bron); zie DSM-III en transseksualiteit.
Van stoornis naar dysforie
Volgens de APA verving de DSM-5 de diagnostische naam "gender identity disorder" door "gender dysphoria" om stigma te vermijden en toegang tot zorg te waarborgen. De werkgroep vreesde dat het schrappen van de diagnose als psychiatrische diagnose, zoals sommigen hadden voorgesteld, de toegang tot zorg zou bedreigen, omdat voor vergoeding van medische behandelingen een diagnose nodig is. De APA schrijft dat genderonconformiteit op zichzelf geen psychische stoornis is en dat het kritieke element van genderdysforie de klinisch significante lijdensdruk is (bron).
Diagnostische criteria
De DSM-5-TR kent één overkoepelende diagnose genderdysforie met aparte criteria voor kinderen (minstens zes van de acht genoemde kenmerken) en voor adolescenten en volwassenen (minstens twee van de zes genoemde kenmerken); voor beide groepen geldt dat de incongruentie minstens zes maanden duurt en gepaard gaat met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen (bron). Er is geen biomarker of objectieve test; volgens de Cass Review hebben hersenstudies naar genderincongruentie geen hersenveranderingen betrouwbaar aangetoond die er direct mee samenhangen (par. 8.15-8.20; bron). Hoe de diagnose in de praktijk wordt gesteld, staat bij diagnose genderdysforie. De criteria en de Nederlandse cijfers staan op genderzorgnederland.nl.
Diagnose en onzekerheid
Het Cass-eindrapport noemt de diagnose genderdysforie niet betrouwbaar voorspellend voor de vraag of iemand later genderincongruentie houdt of dat medische behandeling de beste optie is (bron). Volgens Cass is de groep die zich tegenwoordig aanmeldt een ander cohort dan de groep uit eerdere studies, met meer neurodiversiteit en bijkomende psychische problemen (samenvatting, par. 31, zelfde bron). Sinds ongeveer 2014 nemen de verwijzingen in Engeland exponentieel toe en bestaat de meerderheid uit jongeren die bij de geboorte als meisje zijn geregistreerd en zich in de vroege tienerjaren melden (zelfde bron); zie rapid onset genderdysforie.
Diagnose als toegangspoort tot zorg
De Gezondheidsraad schrijft dat in Nederland somatische zorg voor jongeren pas komt na uitgebreide diagnostiek en indicatiestelling door een multidisciplinair team (bron). Ook de APA schrijft dat een diagnose nodig is om verzekeringsdekking voor medische behandelingen te krijgen (bron).
DSM-5-TR (2022)
De tekstrevisie van 2022 (DSM-5-TR) bevat nog steeds één diagnose genderdysforie met aparte criteria voor kinderen en voor adolescenten en volwassenen (bron).
DSM-5 versus ICD-11
De ICD-11 van de WHO verplaatste genderincongruentie uit het hoofdstuk over psychische stoornissen naar het hoofdstuk "Conditions related to sexual health"; de WHO schrijft dat transgender en genderdiverse identiteiten geen psychische aandoeningen zijn en dat zulke classificaties veel stigma kunnen veroorzaken (bron). De ICD-11-definitie noemt lijdensdruk niet als criterium, maar vereist wel een duidelijke en aanhoudende incongruentie (zelfde bron). Zie ook ICD-11 en gendervariatie.