2013
DSM-5: genderdysforie vervangt stoornis

In mei 2013 verscheen de vijfde editie van de DSM, het handboek voor psychiatrische diagnoses van de American Psychiatric Association. De diagnose genderidentiteitsstoornis verdween en werd vervangen door genderdysforie.
Wat er veranderde
De nieuwe naam verlegt de nadruk. Niet de identiteit zelf geldt als stoornis, maar het lijden dat iemand ervaart doordat het ervaren gender niet overeenkomt met het geslacht. Voor de diagnose is nodig dat die incongruentie minstens zes maanden bestaat en samengaat met duidelijk lijden of beperkingen in het dagelijks functioneren.
Genderdysforie kreeg in de DSM-5 een eigen hoofdstuk, los van de seksuele stoornissen en parafilieën waar de oude diagnose bij was ingedeeld. Er kwamen aparte criteria voor kinderen en voor adolescenten en volwassenen.
De ICD-11 ging verder
De Wereldgezondheidsorganisatie zette met de revisie van de ICD een stap verder. In de ICD-11, aangenomen in 2019 en van kracht sinds 2022, heet de diagnose genderincongruentie. Die staat niet meer bij de psychische stoornissen, maar in een hoofdstuk over seksuele gezondheid.
In de Nederlandse praktijk
Ook in Nederland wordt de DSM-5 gebruikt. Voor medische behandeling en voor vergoeding door de zorgverzekeraar is een diagnose genderdysforie of genderincongruentie nodig, gesteld door een daartoe bevoegde behandelaar. Meer over de criteria staat op de pagina's over de DSM-5 en genderdysforie en de ICD-11. Voor het wijzigen van de geslachtsvermelding in de geboorteakte is in Nederland sinds 2014 geen medische behandeling meer vereist; wel een verklaring van een deskundige.
De discussie vooraf
Aan de nieuwe editie ging jaren van discussie vooraf. Een deel van de belangenorganisaties wilde de diagnose helemaal uit het handboek halen, zoals in 1973 met homoseksualiteit was gebeurd. Anderen waarschuwden dat zonder diagnose de toegang tot behandeling en de vergoeding door verzekeraars in gevaar zouden komen. De werkgroep koos een tussenweg: de diagnose bleef, maar kreeg een naam en een omschrijving waarin het lijden centraal staat. Eerder was de diagnose transseksualiteit in 1980 voor het eerst opgenomen; zie de DSM-III.
Wat de criteria inhouden
Voor adolescenten en volwassenen noemt de DSM-5 zes kenmerken, waarvan er ten minste twee aanwezig moeten zijn. Voorbeelden zijn een sterke wens om van de eigen geslachtskenmerken af te zijn en een sterke wens om als het andere gender te worden behandeld. Voor kinderen gelden strengere eisen: ten minste zes van acht kenmerken, waaronder in elk geval de sterke wens of overtuiging van het andere gender te zijn. Daarmee wilde de werkgroep voorkomen dat kinderen een diagnose krijgen alleen omdat hun gedrag niet past bij wat voor jongens of meisjes gebruikelijk is.
De tekstherziening van 2022
In 2022 verscheen de DSM-5-TR, een herziene uitgave van de tekst. De criteria bleven gelijk, maar de woordkeuze veranderde. Zo werd gewenst gender vervangen door ervaren gender, en spreekt de tekst niet meer van geboortegeslacht maar van het bij de geboorte toegewezen geslacht. De wijzigingen laten zien hoe snel het taalgebruik rond dit onderwerp verschuift, ook binnen de psychiatrie.
Betekenis
Voorstanders zien de wijziging als een stap tegen stigmatisering: wie transgender is, heeft daarmee geen psychische ziekte. De diagnose bleef bestaan omdat die in veel landen nodig is voor toegang tot en vergoeding van zorg. Critici wijzen erop dat de verschuiving ook gevolgen heeft voor de praktijk: als de identiteit geen onderwerp van onderzoek meer is, krijgt de vraag waar de dysforie vandaan komt minder aandacht.