Hoe Nederlandse tv-optredens genderzorg normaliseerden, los van bewijs

"We kregen een golf van patiënten die door de eerste televisie-uitzendingen dachten: dat ben ik." Dat zei Jos Megens, destijds coördinator van de VU-genderkliniek in Amsterdam, terugkijkend op de late jaren zeventig. Hij en endocrinoloog Louis Gooren traden toen voor het eerst op in Nederlandse talkshows als die van Sonja Barend en in Rondom Tien. Megens: de dag na zo'n uitzending stonden de telefoonlijnen van het ziekenhuis "roodgloeiend". Dat relaas komt niet van critici, maar uit de documentaire Transgender Pioniers van het NPO-programma Andere Tijden, gebaseerd op het eigen archief van de omroep.
Een klinische praktijk die zichzelf op tv verkocht
Het is een ongemakkelijk gegeven dat zelden terugkomt in de officiële geschiedschrijving van de Nederlandse genderzorg: de patiëntenstroom naar de VU-kliniek groeide niet primair doordat huisartsen doorverwezen op basis van klinische criteria, maar doordat mensen zichzelf herkenden in wat ze op televisie zagen. Megens zelf noemt het een "golf" — een woord dat eerder bij publieke belangstelling past dan bij een zorgvuldig gescreende patiëntenpopulatie. De Amerikaanse onderzoeksjournalist Mia Hughes beschrijft dit mechanisme in een recent essay voor Genspect als een vorm van "iatrogene" groei: de behandelpraktijk riep zelf de vraag op die ze vervolgens beantwoordde. Dat is een duiding van Hughes, geen vaststaand feit — maar de onderliggende gebeurtenissen die ze beschrijft, zijn onafhankelijk terug te vinden in het Nederlandse publieke omroeparchief.
De voorgeschiedenis: Otto de Vaal en de Arnhemse zaak
De wortels liggen nog vroeger. Amsterdams arts Otto de Vaal (1916–1993) verzette zich al vanaf de jaren vijftig publiekelijk tegen het idee dat transseksualiteit een psychische stoornis was, naar aanleiding van een geruchtmakende behandelzaak in Arnhem in 1959. Volgens de eigen jubileumgeschiedenis van Amsterdam UMC richtte De Vaal in 1972 samen met plastisch chirurg Philip Lamaker de Stichting Genderfonds op — de voorloper van de latere VU-genderkliniek, waar Gooren en later Peggy Cohen-Kettenis de behandelpraktijk verder opbouwden die in 1998 zou uitmonden in de publicatie die internationaal bekend werd als het Dutch Protocol.
Opvallend is wat Amsterdam UMC's eigen terugblik wél en niet vertelt. Het stuk beschrijft internationale symposia en kennisuitwisseling tussen artsen als drijvende kracht achter de groei van de kliniek, maar laat de binnenlandse tv-optredens — en het effect daarvan op de instroom van patiënten — geheel onvermeld. Het medische zelfbeeld is er een van wetenschappelijke opbouw; het beeld uit het eigen omroeparchief is er een van publieke herkenning via de beeldbuis. Beide bronnen gaan over dezelfde periode en dezelfde mensen, maar vertellen een ander verhaal.
Wat er nooit opnieuw werd getoetst
Hughes wijst er in haar essay op dat de medisch-ethische toestemming die de VU in 1976 gaf voor geslachtsveranderende chirurgie nadien nooit meer fundamenteel is heroverwogen, ook niet toen de kliniek van een kleinschalige volwassenenpraktijk uitgroeide tot een kinder- en jeugdafdeling met internationale uitstraling. Dat is een stevige claim die wij niet zelfstandig in een officieel comitéverslag hebben kunnen verifiëren — de notulen van dat soort besluiten zijn niet openbaar — maar het patroon past bij wat ons eigen dossier over het Dutch Protocol laat zien: een behandelmodel dat decennialang als klinische praktijk doorgroeide voordat buitenlandse toezichthouders — van de Cass Review tot het Zweedse SBU — de onderliggende bewijsbasis systematisch gingen doorlichten.
Dat verschil is relevant voor het Nederlandse publiek, dat zelden heeft stilgestaan bij de vraag hoe de maatschappelijke acceptatie van genderzorg hier precies tot stand kwam. Niet via een stapsgewijze opbouw van onderzoeksbewijs, gevolgd door publieke voorlichting — maar via publieke voorlichting die vooruitliep op het onderzoeksbewijs, en waarvan de praktijk zelf vervolgens als bewijs van maatschappelijk draagvlak werd gelezen.
Waarom dit meer is dan geschiedenis
Dit is geen verhaal over kwade opzet. Megens en Gooren handelden vanuit de overtuiging dat ze mensen hielpen die nergens anders terechtkonden, en voor sommige kijkers was herkenning op tv ongetwijfeld de eerste stap naar passende hulp. Maar het onderscheid tussen "veel mensen herkennen zich hierin" en "deze behandeling is wetenschappelijk onderbouwd" is precies het onderscheid dat decennia later, bij de Cass Review en de Zweedse heroverweging, alsnog gemaakt moest worden. Wie wil begrijpen waarom dat zo laat gebeurde, moet niet alleen naar de klinische vakliteratuur kijken, maar ook naar de huiskamer: naar wat er in de jaren zeventig en tachtig op de Nederlandse televisie werd getoond, en wat daarvan werd aangenomen zonder verder te worden getoetst. Hoe de berichtgeving zich sindsdien ontwikkelde, staat in het stuk over media en publiek debat. Het archief met historische Nederlandse bronnen op deze site brengt die twee lagen — het medische en het maatschappelijke — bewust naast elkaar.
Voor wie de klinische vervolgstappen van deze geschiedenis wil volgen — hoe de VU-praktijk zich na de jaren tachtig verder formaliseerde tot het protocol dat wereldwijd navolging kreeg — staat een uitgebreide reconstructie op dutchprotocol.nl, met de rol van Cohen-Kettenis, Delemarre-van de Waal en Gooren in de periode 1980–1990.
Bronnen
Andere Tijden (NPO), "Transgender Pioniers", aflevering 90. anderetijden.nl/aflevering/90/Transgender-Pioniers
Amsterdam UMC, "Hoe pioniers experts werden: 50 jaar transgenderzorg in Amsterdam UMC", 2026. amsterdamumc.org
Mia Hughes, "How the Dutch Normalized Medical Madness", Genspect, 1 oktober 2026. genspect.substack.com/p/how-the-dutch-normalized-medical
NTvG, "De eerste geslachtsveranderende operatie van vrouw naar man in Nederland", 1959/60. ntvg.nl
Edward Jansen
Redactie Genderinfo.nl