Genderinfo.nl
Actueel

Europees Hof — overzicht trans-jurisprudentie

De rechtszaal van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg
Foto: Adrian Grycuk, CC BY-SA 3.0 pl, via Wikimedia Commons

Een chronologisch overzicht: B v France (1992) — eerste schending vastgesteld; Sheffield en Horsham v UK (1998) — geen schending; Christine Goodwin v UK (2002) — keerpunt naar erkenning; Van Kück v Duitsland (2003) — toegang tot zorg; YY v Turkije (2015) — verbod van sterilisatie-eis; AP, Garçon en Nicot v Frankrijk (2017) — bekrachtiging verbod sterilisatie-eis; X en Y v Roemenië (2021) — recht op administratieve procedure.

Mijlpaal-arresten

Een chronologisch overzicht: B v France (1992) — eerste schending vastgesteld; Sheffield en Horsham v UK (1998) — geen schending; Christine Goodwin v UK (2002) — keerpunt naar erkenning; Van Kück v Duitsland (2003) — toegang tot zorg; YY v Turkije (2015) — verbod van sterilisatie-eis; AP, Garçon en Nicot v Frankrijk (2017) — bekrachtiging verbod sterilisatie-eis; X en Y v Roemenië (2021) — recht op administratieve procedure.

Lijn in jurisprudentie

De ontwikkeling van de jurisprudentie van het EHRM laat een gestage uitbreiding zien van rechten van transgender personen onder artikel 8 (privéleven) en artikel 14 (non-discriminatie) EVRM, met grenzen rond verplichte medische ingrepen en wachttijden. Nederland schrapte de sterilisatie-eis in 2014 met de Transgenderwet.

Van Rees naar Christine Goodwin

In Rees tegen het Verenigd Koninkrijk (1986) zag het Hof nog geen schending van artikel 8. Wel vond het dat de noodzaak van maatregelen in het oog moest worden gehouden, gelet op wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Op 11 juli 2002 oordeelde de Grote Kamer in Christine Goodwin anders. Het Hof wees op een duidelijke en aanhoudende internationale trend naar maatschappelijke acceptatie en juridische erkenning. Het zag geen zwaarwegend algemeen belang dat tegen erkenning pleitte en stelde een schending van artikel 8 vast.

Waar het Hof staten ruimte laat

Het Hof geeft klagers niet altijd gelijk. In Hämäläinen tegen Finland (2014) vond de Grote Kamer geen schending van artikel 8. Een gehuwde transvrouw kon haar registratie alleen laten wijzigen als haar huwelijk werd omgezet in een geregistreerd partnerschap of werd ontbonden. Het Hof vond dat niet onevenredig. In A.P., Garçon en Nicot tegen Frankrijk (2017) keurde het Hof de eis af dat de onomkeerbaarheid van de verandering moest worden aangetoond. De eis van een diagnose en van een medisch onderzoek liet het Hof in dezelfde zaak in stand.

Recente zaken en het EU-Hof

In Y.T. tegen Bulgarije (2020) en A.D. en anderen tegen Georgië (2022) stelde het Hof een schending vast omdat erkenning in de praktijk niet te krijgen was. In Georgië bestond het recht sinds 1998, maar was geen enkel geslaagd verzoek bekend. In 2023 volgden twee uitspraken zonder schending. In O.H. en G.H. tegen Duitsland mocht een transman die een kind had gebaard als moeder worden geregistreerd; zie ouderschap na transitie. In Y. tegen Frankrijk kreeg een intersekse persoon geen neutrale aanduiding op de geboorteakte, omdat de staat hier beoordelingsruimte heeft. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is een ander hof. Het deed de uitspraken Mirin (2024), Mousse (2025) en Deldits (2025). Zie ook het Europees Hof en transgender rechten, de Raad van Europa en het EU-beleid. Wat de teksten van het EVRM, de VN-verdragen en de EU-richtlijnen zelf zeggen, zet transplek.nl op een rij.

Veelgestelde vragen

Bronnen

European Court of Human Rights — Factsheet: Gender Identity Issues. echr.coe.int