Amsterdam UMC en het Dutch Protocol

Amsterdam UMC (voorheen VUmc) ontwikkelde vanaf de jaren negentig het zogeheten Dutch Protocol: puberteitsblokkers vanaf Tanner-stadium 2, gevolgd door cross-sex hormonen vanaf ~16 jaar en chirurgie vanaf ~18 jaar. Internationaal werd dit lang als evidence-based gepresenteerd. De originele Nederlandse studies (De Vries, Steensma) blijken bij herbestudering echter ernstige methodologische beperkingen te kennen: kleine groepen, geen controlegroep, zware uitval, smalle selectiecriteria en het overlijden van een deelnemer na een operatie. De claim dat puberteitsblokkers "reversibel zijn en tijd geven om na te denken" wordt internationaal niet langer onderschreven; vrijwel alle behandelde kinderen gaan door naar cross-sex hormonen.
Hoe het protocol ontstond
De eerste publicatie over puberteitsremming verscheen in 1998, van Cohen-Kettenis en Van Goozen. In 2006 beschreven Delemarre-van de Waal en Cohen-Kettenis de werkwijze als protocol: puberteitsremmers vanaf twaalf jaar, hormonen vanaf zestien jaar en operaties vanaf achttien jaar. Het uitgangspunt was dat een jongere met remmers tijd krijgt om na te denken, terwijl de lichamelijke puberteit stilstaat. Meer over het middel zelf leest u op de pagina over puberteitsblokkeerders.
De studies van 2011 en 2014
De onderbouwing komt vooral uit twee onderzoeken van het Amsterdamse team. De uitkomststudie van 2011 volgde 70 jongeren tijdens de behandeling met puberteitsremmers. De vervolgstudie van 2014 beschreef 55 jongvolwassenen na hormonen en operaties. De onderzoekers concludeerden dat de genderdysforie was afgenomen en dat het psychisch functioneren was verbeterd. Klinieken in andere landen beriepen zich op deze twee studies toen zij de behandeling overnamen.
Wat critici aanvoeren
De Britse socioloog Michael Biggs publiceerde in 2022 een analyse van de herkomst en de onderbouwing van het protocol. In 2023 volgde een artikel van Abbruzzese, Levine en Mason, die stellen dat de Nederlandse studies ten onrechte als betrouwbaar gelden. Hun bezwaren zijn dat een vergelijkingsgroep ontbreekt, dat de groep klein en streng geselecteerd was en dat vooral de gunstigste uitkomsten zijn gerapporteerd. In de uitzending van Zembla van 26 oktober 2023 noemde methodoloog Gerard van Breukelen van de Universiteit Maastricht het ontbreken van een vergelijkingsgroep funest voor de vraag of de behandeling werkt. Hoe die kritiek Nederland bereikte, staat in het stuk over de internationale kritiek.
Het antwoord van de behandelaars
Kinder- en jeugdpsychiater Annelou de Vries van Amsterdam UMC stelde tegenover Zembla dat een controlegroep onethisch zou zijn, omdat jongeren die behandeling nodig hebben die dan niet krijgen. Zij wees erop dat er inmiddels meer onderzoek is gepubliceerd. Een studie uit 2022 onder 720 jongeren uit het Amsterdamse cohort, die na puberteitsremmers met hormonen waren begonnen, liet zien dat 98 procent die hormonen bij de laatste controle nog gebruikte. Behandelaars lezen dat als teken dat weinig jongeren van gedachten veranderen. Critici zien er een aanwijzing in dat remmers geen neutrale bedenktijd zijn, maar de eerste stap van een medisch traject. Hoeveel verwezen jongeren aan zo'n traject beginnen, staat in het nieuwsbericht over jongeren die naar het Amsterdam UMC werden verwezen.
Waar het nu staat
De werkwijze is sinds 2019 vastgelegd in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch, die voor alle Nederlandse aanbieders geldt. In 2024 vroeg de Tweede Kamer om onderzoek naar de uitkomsten van de behandeling. De Gezondheidsraad oordeelde op 30 juni 2026 dat de zorg voor jongeren zorgvuldig is ingericht, en stelde daarbij vast dat over ongewenste effecten beperkte gegevens beschikbaar zijn; zie het advies van de Gezondheidsraad. Het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Finland wogen dezelfde onzekerheid als reden voor terughoudendheid. Cijfers over aantallen en wachttijden van de kliniek staan op trans-nederland.nl, op de pagina over de genderkliniek van Amsterdam UMC.